donderdag 21 juni 2018

De Aureliaanse banden

Als ik naar mijn buidel voor een gedroogde pruim reik, trekken de gouden banden rond mijn keel strak. Ik zwaai snel weer met de pikhouweel, op zoek naar een spoor van osmiun of iets anders, terwijl mijn buik doorgaat met op zichzelf teren.
            Sasja knikt verbeten naar me.
            ‘Het zal goed komen, mama.’ Ze heeft nooit een andere wereld dan deze gekend. Haar vader is al jaren dood, zijn skelet is in de afgelopen twintig jaar door de wind uit elkaar getrokken.

Met elke slag wordt de pikhouweel zwaarder, maar ik ga door. Sasja huilt, kan ik zien. Ze knikt naar haar man die net pauze heeft. Hij rent om zijn rantsoen in mijn mond te stoppen.
            ‘Dank, Romanov, je bent een engel.’ Hij knikt, maar glimlacht niet. Het zal tot de avond duren voor hij weer pauze heeft. De gouden banden dwingen hem reeds op een paar meter afstand van mij te gaan hakken. Tijdens het kauwen voel ik mijn krachten terugkeren.

We zijn niet de enige mensen, maar met de andere heb ik weinig contact. Soms komt er eentje dichtbij genoeg om een schreeuw uit te wisselen, maar de laatste jaren heb ik geen energie meer voor schreeuwen.

Naast Sasja en Romanov is de dichtstbijzijnde slaaf een alien. Hij spreekt een ons onbekende taal. Wij noemen hem Ganesha, naar de Indiase god met de olifantenkop, omdat een van zijn drie armen op zijn blauwgrijze hoofd zit en zo op een slurf lijkt.

Veertig jaar geleden moet het zijn gebeurd, denk ik. Toen de groene ruimteschepen van Aurelia op het Rode Plein landden. Het gebeurde over de hele wereld. Veel van ons kwamen alleen uit nieuwsgierigheid. Tot we de gouden kabels onder de schepen zagen liggen. We vochten om het goud en sloegen elkaar de kop in. We sjouwden ze naar onze huizen en kluizen tot we erachter kwamen dat ze leefden, toen ze zich strak rond onze lichamen trokken en we geen kant meer opkonden behalve in de richting die zij wilden.

Veertig jaar geleden kwamen we erachter wie de echte heersers van het universum waren.

Een geluid alsof de wereld vergaat. Als ik opkijk zie ik in de verte het afval van meerdere planeten uit de groene sigaren vallen. Een dikke zwarte wolk stijgt langzaam op en ik zet me schrap. Als het hete stof over ons heen strijkt houdt iedereen strak de ogen en monden dicht. Ik hak door tot een hard object mijn hoofd raakt en ik val.

Als ik op probeer te staan gebeurt er niets. Mijn hoofd voelt plakkerig. Niets aan me beweegt nog. De gouden band trekt zich strakker om borst en keel. Als ik opkijk zie ik in de verte een mannenvoet. Sasja schreeuwt. Drie olifantenogen knipperen wild. Ik voel hoe mijn adem langzaam verdwijnt en ben dankbaar. Eindelijk stopt deze marteling in de banden van Aurelia.

vrijdag 23 februari 2018

Tandenknarsdans

Agneta had de laatste tijd zo’n honger dat ze op haar tanden knaagde. Het startte drie dagen geleden, toen ze al een dag of wat aan het dansen was op het jaarlijkse verkoopfeest van het Blauwbalg Warenhuis, grootste in het land. Haar maag rommelde zo hard dat ze dacht dat er een familie van drummers woonde.

In het begin vond ze het tandenknarsen vervelend en begon zich er van alles over af te vragen. Had ze een ergernis over haar baas, een dame die nooit op tijd kwam en altijd op vakantie ging als een grote opdracht binnenkwam? Of was het omdat haar moeder steeds bleef vragen wanneer ze eindelijk kinderen nam?

Ze wist het niet. Alles wat ze wist was dat ze maar bleef knarsen en dat ze bang was dat haar tanden voor het eind van het feest opraakten.

Gelukkig waren al haar vrienden er ook. Chenglei schoot tussen iedereen door.
            ‘Ik ben een straaljager en spuug vuur!’ Hij zei het precies op het ritme van de muziek.
            ‘Ik ben Errol Flyn en vecht als een piraat,’ zei Zenobia, terwijl ze met haar handen een zwaardgevecht hield. Haar dreads deinden vrolijk op en neer.
            ‘Ik ben een zeehond en zeg ARF ARF,’ riep Wesley en hij hield zijn witte handen als vinnen in de zij.
            ‘Ik ben The Bride en doe karate chops,’ zei Aafiya en ze zwaaide intrigerend met de stof van haar hoofddoek. Een vrolijke vlag van zwart en geel.
            ‘Ik heb zo’n honger dat ik op mijn tanden knars,’ zei Agneta.

Haar vrienden reageerden onmiddellijk bezorgd. Ze dansten dicht tegen haar aan en hielden haar armen vast.
            ‘Wat erg,’ zei Zenobia. ‘Wacht, laat me je helpen.’
            Terwijl ze op en neer sprong trok ze een voortand uit haar mond en gaf die aan Agneta. Het bloed liep over haar lachende lippen. Agneta wist niet goed hoe ze moest reageren.
            ‘Wat lief van je, maar dat kan ik niet accepteren.’
            ‘Hij is er nou toch uit. Knars er maar op.’ Haar andere vrienden deden hetzelfde en al snel dansten ze allen met bloedende monden, terwijl Agneta op vier tanden knarste die niet van haar waren.

Het feest duurde nog weken en werd steeds verlengd, want de zucht naar plezier verminderde niet. Toen de tanden van haar vrienden op waren en haar achtergebit glad was begon ze met de overgebleven voortanden te knarsen op haar vingers. Ze had ze tenslotte toch niet meer nodig.

vrijdag 15 december 2017

Rat in een band

Op de derde dag op het mysterieuze eiland werden Lolo en Frouke door een krijsende meeuw gewekt. Ze wisten nog steeds niet waarom ze daar waren. Wat ze wel wisten was dat het eiland van vuilnis was gemaakt.

De eerste ochtend in de tent moesten ze bijna overgeven van de geur. Lolo had als een gek rondgerend, terwijl hij zijn handen wapperde om een beetje frisse lucht te krijgen. Frouke bad met haar hoofd in het kussen om frisse lucht. Ondertussen was de tweeling aan de stank gewend geraakt.

De eerste dag wandelden ze in een uur van de ene naar de andere zijde. Op het midden van het eiland lag een bos van bedorven bomen vol insecten. Ze zagen er ratten groot als katten die hen nieuwsgierig bekeken. Lolo veegde het zweet van zijn rode voorhoofd en zei:
            ‘Ik hoop maar dat ze genoeg te eten hebben, want we kunnen we niet echt voor ze schuilen.’ Frouke keek hem met blauwe ogen streng aan. Dankzij de genadeloze zon was haar huid nog zwarter dan voorheen.
            ‘Zeg dat nou niet, Lolo, ratten eten geen mensen.’
            ‘Ik heb het op tv gezien, hoor!’
            ‘Je moet niet alles wat ze op tv zeggen geloven.’ Frouke zuchtte. Ze voelde zich verantwoordelijk voor hun tweeën en wilde haar zorgen niet delen.

De tweede dag hadden ze anderhalf uur nodig om van de ene naar de andere kant te lopen. De ratten volgden hen, maar wilden het liefst een aaitje over de bol.
            ‘Zie je nou, Lolo, ze zijn net als iedereen.’
            ‘Heel goed,’ zei hij ongeduldig, ‘maar ik maak me meer zorgen om dat het eiland steeds groter wordt. Nergens is er land of een schip te bekennen en het eten raakt op.’ Frouke zuchtte en keek verlangend om zich heen.

Op de derde dag liepen ze weer naar de andere zijde. Ditmaal duurde het twee uur. Het nieuwe stuk strand bestond uit plastic flessen, supermarktverpakkingen en autobanden.
            Ze pakten een band en rolden ermee naar de tent. Een van de ratten rende erin mee, alsof het een tredmolen was. Het dier piepte luid van plezier en jaloers volgden de andere ratten.
            Toen ze bij de tent kwamen lachte Lolo verlegen naar Frouke: ‘Nou, we moeten het hier maar mee doen, toch?’
            ‘Ja,’zei ze, ‘misschien kunnen we ze leuke trucjes leren.’
            ‘Of anders opeten?’ Ze keek hem boos aan.
            ‘We zullen wel zien.’

maandag 6 november 2017

De uitdaging

Was het een onderdeel van de ontgroening? Dat wist Kees-Jan niet toen hij nietsvermoedend op het universiteitsterrein bij de kladden werd gevat en in een busje verdween. Dit gaat toch in tegen mijn rechten, dacht hij nog, terwijl de jongens om hem heen gniffelden.
            ‘Hé, wat moet dit!’ Dankzij de juten zak over zijn hoofd klonk hij gemoffeld. Er werd harder gegniffeld.
            ‘Gnie, gnie, gnie!’
            ‘Ik studeer rechten, hoor!’

Het volgende wat hij zag was een kamer vol boeken, met muren van dik middeleeuws steen, klam en bruin van de schimmel. Zijn overvallers hadden het hazenpad gekozen. Hij wilde hetzelfde pad begaan, maar werd door een zware houten deur met grote roestige nagels tegengehouden.
            ‘Potverpielekes,’ riep Kees-Jan. ‘Ben ik mooi in de aap gelanceerd!’ Hij hield van spreekwoorden, maar hield er nog meer van ze door elkaar te husselen.

Verdwaasd keek hij om zich heen en zag dat het licht van toortsen kwam en dat het dak donker van het roet schitterde.
            ‘De stookkosten zullen wel niet hoog zijn,’ zei hij. Zijn  hoge stem sloeg dof tegen de stapels ingebonden papier.

Hij pakte een boek en bladerde er doorheen. Er stond iets in over de Gebeugelde Schotpad. Hij legde het weg. In een ander boek stond een verhandeling over de bibliotheek van Alexandrië die door veronachtzaming was vernietigd, niet door vuur. Ook dat boek wilde hij wegleggen, maar toen hoorde hij gesis.

Kees-Jan sprong van schrik op een hoge stapel die in evenwicht werd gehouden door nog een aantal andere stapels en een eiland vormde in een zee van slangen.
            ‘God nondeju, wat heb ik nou aan mijn klewang hangen!’

Overal waar hij keek lag de vloer vol sissend groen gebroed dat zonder enige frictie familiair over elkaar heen gleed. Telkens als een van de slangen aanstalte maakte om zich naar hem op te heffen gooide hij er een boek naartoe, maar hoe vaker hij dat deed des te lager werd zijn vluchtheuvel en des te hoger werd de vloer waarover het gebroed sissend gleed.
            ‘Ik zit in een Ikea-pakket!’ Hij realiseerde zich nauwelijks dat het spreekwoord op deze manier ondoorgrondelijk was geworden voor generaties die nooit iets met Ikea van doen zouden hebben.

Gooiende kon hij het niet laten soms in een boek te kijken. Het was tenslotte een hopeloze situatie. Zijn overlevingskansen slonken zienderogen en hij vroeg zich af of dit nou echt de bedoeling was van een ontgroening. Een van de boeken had op de omslag een foto van precies zo’n zelfde dier als die hem bedreigden. Kortstondig bladeren bracht hem bij het lemma van de Groene Tuinslang; deze volkomen onschadelijke ondersoort van de Ringslangen…
            ‘Asjemenou, zeg!’ Hij legde het boek weg en stapte tussen de diertjes in. Liefkozend slopen ze over zijn schoenen heen en verder.

donderdag 26 oktober 2017

Petra en haar maskers


Petra’s sluike haar kon zich maar nauwelijks verbergen achter de maskers die ze gebruikte om haar leven kleur te geven. Ze verzamelde de objecten sinds haar vroege jeugd en haar studentenkamer stond er vol mee. Elke ochtend als ze wakker werd groette ze hen.
            ‘Wie zal ik vandaag zijn?’ Maar het bleef niet bij één masker per dag, nee. Ze pakte er een paar bij elkaar en stopte die in de linnen tas waarin ze ook haar schoolspullen deed.

Er was een masker voor wanneer Petra zich moe voelde, maar ook voor wanneer ze enthousiasme wilde tonen over haar medestudenten. Ze had een masker voor het hijgend op de fiets zitten en eentje voor wanneer ze geïnteresseerd de leerstof doornam.

Eigenlijk was er geen moment dat ze niet met een masker kon verluchtigen. Als ze De Turk binnenging en de besnorde man (die een Irakees was) de feta afwoog zette ze speciaal voor hem een masker op.
            ‘Asalaam aleikum, sayidi aleaziz,’ zei ze. Hij kon weinig anders dan in verwondering uitroepen:
            ‘O, wat spreekt u goed Arabisch!’ In de bruine kroeg op de hoek was het niet anders als ze een kopstoot en gekookt ei bestelde.
            ‘Hé gast, wat is het hier teringschoon, zeg.’ De blonde dame achter de tap met het brede tijgerdecolleté kon weinig anders dan een bakje zoute pinda’s erbij zetten.
            ‘Dat je er maar van mag genieten, meissie!’

Na verloop van tijd kreeg ze de angst dat ze zich achter de maskers verschool. Wie was ze dan echt, vroeg ze zich af.
            ‘Wie ben ik eigenlijk,’ vroeg ze haar moeder, maar vergat dat ze haar masker ophad van goede dochter zijn.
            ‘Wie denk jij dat ik echt ben?’ vroeg ze haar beste vriendin, maar vergat dat ze haar beste vriendinnenmasker ophad.

Ze voelde zich er na verloop van tijd zo ongemakkelijk over dat de maskers op mysterieuze wijze begonnen te verdwijnen. De ene liet ze achter bij de bakker en een volgende raakte in de gracht verzeild. De laatste verbrandde ze ritueel en liet een gulzig rood vuur zien, want het was haar masker van tevreden seks.

De volgende ochtend voelde Petra zich een bevrijd mens en zei dat tegen haar huisgenote. Die was blijkbaar in een rothumeur en reageerde snibbig.
            ‘Waarom ruim je nooit je rommel op?’ Het riekte inderdaad nog naar verbrand masker.

Vrolijk sprong ze vervolgens op haar fiets en haalde een brommer in die vloekte tegen de lucht en een racefietser die akelig hard lachte. Het kon haar allemaal niets schelen, want eindelijk wist ze wie ze was: zichzelf. Ze zag niets anders meer dan zichzelf en was daar heel tevreden over. Ze stak een vinger op tegen een lompe automobilist en realiseerde zich niet dat ze hem net had afgesneden.

Die avond voelde Petra zich een beetje alleen. Haar beste vriendin had geen tijd en haar moeder was kortaf aan de telefoon. Ze was meer bezig met haar broer. Uit verveling begon ze van snippers papier, stukjes gum en een overbodig plankje een masker in elkaar te zetten. Ze wist nog niet of ze het zou dragen, maar het ritueel gaf haar plezier en rust.
             
           

vrijdag 6 oktober 2017

De witte bloem

Benjamin had al zoveel oorlogen meegemaakt, was al zo vaak door vrienden bedrogen en verraden, dat hij de mensheid steeds meer was gaan haten. Voor hem kon de mens weinig anders dan de dood dichterbij brengen.

Hij woonde in een groot huis op de heuvel een beetje verder van het dorp af. Meer dan de oceaan en de hemel wilde hij niet zien. Midden in het huis was een patio waar hij een speciale bloem koesterde. Elke nacht na twaalven waterde hij de bloem en werd deze nog een stukje witter.

Als er eens mensen op bezoek kwamen – zo nu en dan durfden mensen hem te bezoeken – moesten ze altijd even de bloem bewonderen.
            ‘Wat een intrigerende plant,’ zei de kernfysicus. Toen ze de stengel aanraakte brandde er iets in haar hoofd door en sindsdien kon ze alleen als barista werk vinden.
            ´Wat een prachtige kleur toch,´ zei de kunstenaar. Toen stuifmeel zijn oog raakte werd hij kleurenblind en sindsdien tekende hij alleen nog zwart op zwart.
            ‘Wat een wonderlijke bloem toch,’ zei een bouwvakker. Toen ze een blad aanraakte verlamden haar handen en kon ze geen steen meer metselen.

Hoe hoger en witter de bloem werd des te langer en witter werd Benjamin, tot hij bijna doorschijnend was. Zijn benen waren als rietpennen van dode archivarissen. Op weg naar zijn bloem nam hij er lange stappen mee door de hoge gangen. De muren zinderden van de eeuwenoude lucht die alleen rond middernacht verstoord werd door de man die alles haatte.

Maar waar haalde hij het water vandaan waarmee hij de plant voedde? Niet uit de kranen beneden of buiten het huis. Die gaven alleen fris leven aan de dorstige. Nee, wat er in de gieter stroomde kwam direct uit zijn aderen. In de kelder zat een laboratorium waar hij een liter levensvocht per avond aftapte.

Op een dag wist Benjamin dat de bloem gereed was om zijn zaad af te geven. Die avond was het zo koud dat hij de vullingen in zijn mond voelde ratelen, terwijl hij de tocht van de kelder naar de patio ondernam. Zijn schaduw kwam maar onwillig los van de muren.

Toen hij de monsterlijke bloem zag die als een monstrueuze ster van verdriet tegen de hemel afstak, kwamen er sporen vanaf die straalden alsof een alternatieve dag werd geboren. De sporen vielen op Benjamin neer, terwijl hij zijn kamerjas en overhemd uittrok. Gestaag trokken ze in zijn naakte witheid en kleurden hem een zwartig geel als van rottende mosterd.

Zodra hij zag dat de kelk van de bloem zich opende lachte hij een akelige schedelachtige lach die werd afgeknepen toen zijn hoofd in de kelk verdween. Het knokige lichaam volgde geluidloos.



zaterdag 30 september 2017

Het meisje dat haar ogen te ver rolde

Rebecca vond zich een heel intelligent persoon. Ze zei er nooit iets van als iemand iets doms of voor de hand liggend vertelde. Door met de ogen te rollen beschouwde ze het als afgedaan.

Op de zevende verjaardag van haar neefje Felix kon niets door de beugel.
            ‘Het is vreselijk hoe mensen pas bellen als ze je bijna aanfietsen,’ zei Tante Eulalia. Rebecca rolde haar ogen in ergernis.
            ‘Het acht uur journaal begint altijd zo schreeuwerig,’ zei Oom Bertus. Rebecca’s ogen rolden.
            ‘De juf heeft een nieuwe vriend en is de hele tijd giechelig,’ zei Felix. Rebecca’s ogen rolden uit haar hoofd.

Ze zag haar lichaam plotseling van een afstand; een beetje wuivend alsof het riet was. Ze droeg een bermuda met witte kousen en een bloes met blauwe stippen, maar haar oogkassen waren leeg en zwart als schoorsteenpijpen. Niemand viel het op.

Voor ze het wist vlogen haar ogen als een ruimteschip rond de gasten. Ze had de grootste lol tot ze merkte dat ze ook ín hun hoofden kon zien.

Wat ze zag had niet een grotere verrassing kunnen zijn. De fietsbellen bleken maar een deel van Tante Eulalia’s probleem. Ze voelde zich altijd onzeker in de openbare ruimte. Oom Bertus was elke avond rond achten al zó moe dat hij smachtte naar een rustige avond, maar zijn vrouw kon niet zonder het journaal. Felix bleek een beetje verliefd op zijn juf en wilde liever haar als moeder, want van haar zou hij wél laat mogen opblijven.

Ze zag zijn openheid en hoe de wijde wereld in zijn hoofd nog moest stollen. Ze voelde een diepe liefde voor haar neefje en haar ogen zwollen op van de tranen. Zoute regen viel op de gasten

Het duurde niet lang voor ze van het feestje afdwaalde. Steeds meer hoofden gaven hun geheimen prijs en steeds meer besefte Rebecca hoe weinig ze van de wereld afwist. Niet alleen waren er zoveel verschillende manieren om naar de werkelijkheid te kijken, maar haar mening bleek niet meer dan een zandkorrel van alle mogelijkheden.

Op een gegeven moment hing ze ergens tussen de maan en de aarde en vroeg zich af waar haar lichaam was.
            ‘Oeps, nou ben ik mezelf kwijtgeraakt,’ dacht ze. ‘Een verbeterpuntje voor de volgende keer.’