maandag 6 november 2017

De uitdaging

Was het een onderdeel van de ontgroening? Dat wist Kees-Jan niet toen hij nietsvermoedend op het universiteitsterrein bij de kladden werd gevat en in een busje verdween. Dit gaat toch in tegen mijn rechten, dacht hij nog, terwijl de jongens om hem heen gniffelden.
            ‘Hé, wat moet dit!’ Dankzij de juten zak over zijn hoofd klonk hij gemoffeld. Er werd harder gegniffeld.
            ‘Gnie, gnie, gnie!’
            ‘Ik studeer rechten, hoor!’

Het volgende wat hij zag was een kamer vol boeken, met muren van dik middeleeuws steen, klam en bruin van de schimmel. Zijn overvallers hadden het hazenpad gekozen. Hij wilde hetzelfde pad begaan, maar werd door een zware houten deur met grote roestige nagels tegengehouden.
            ‘Potverpielekes,’ riep Kees-Jan. ‘Ben ik mooi in de aap gelanceerd!’ Hij hield van spreekwoorden, maar hield er nog meer van ze door elkaar te husselen.

Verdwaasd keek hij om zich heen en zag dat het licht van toortsen kwam en dat het dak donker van het roet schitterde.
            ‘De stookkosten zullen wel niet hoog zijn,’ zei hij. Zijn  hoge stem sloeg dof tegen de stapels ingebonden papier.

Hij pakte een boek en bladerde er doorheen. Er stond iets in over de Gebeugelde Schotpad. Hij legde het weg. In een ander boek stond een verhandeling over de bibliotheek van Alexandrië die door veronachtzaming was vernietigd, niet door vuur. Ook dat boek wilde hij wegleggen, maar toen hoorde hij gesis.

Kees-Jan sprong van schrik op een hoge stapel die in evenwicht werd gehouden door nog een aantal andere stapels en een eiland vormde in een zee van slangen.
            ‘God nondeju, wat heb ik nou aan mijn klewang hangen!’

Overal waar hij keek lag de vloer vol sissend groen gebroed dat zonder enige frictie familiair over elkaar heen gleed. Telkens als een van de slangen aanstalte maakte om zich naar hem op te heffen gooide hij er een boek naartoe, maar hoe vaker hij dat deed des te lager werd zijn vluchtheuvel en des te hoger werd de vloer waarover het gebroed sissend gleed.
            ‘Ik zit in een Ikea-pakket!’ Hij realiseerde zich nauwelijks dat het spreekwoord op deze manier ondoorgrondelijk was geworden voor generaties die nooit iets met Ikea van doen zouden hebben.

Gooiende kon hij het niet laten soms in een boek te kijken. Het was tenslotte een hopeloze situatie. Zijn overlevingskansen slonken zienderogen en hij vroeg zich af of dit nou echt de bedoeling was van een ontgroening. Een van de boeken had op de omslag een foto van precies zo’n zelfde dier als die hem bedreigden. Kortstondig bladeren bracht hem bij het lemma van de Groene Tuinslang; deze volkomen onschadelijke ondersoort van de Ringslangen…
            ‘Asjemenou, zeg!’ Hij legde het boek weg en stapte tussen de diertjes in. Liefkozend slopen ze over zijn schoenen heen en verder.

1 opmerking: