vrijdag 6 oktober 2017

De witte bloem

Benjamin had al zoveel oorlogen meegemaakt, was al zo vaak door vrienden bedrogen en verraden, dat hij de mensheid steeds meer was gaan haten. Voor hem kon de mens weinig anders dan de dood dichterbij brengen.

Hij woonde in een groot huis op de heuvel een beetje verder van het dorp af. Meer dan de oceaan en de hemel wilde hij niet zien. Midden in het huis was een patio waar hij een speciale bloem koesterde. Elke nacht na twaalven waterde hij de bloem en werd deze nog een stukje witter.

Als er eens mensen op bezoek kwamen – zo nu en dan durfden mensen hem te bezoeken – moesten ze altijd even de bloem bewonderen.
            ‘Wat een intrigerende plant,’ zei de kernfysicus. Toen ze de stengel aanraakte brandde er iets in haar hoofd door en sindsdien kon ze alleen als barista werk vinden.
            ´Wat een prachtige kleur toch,´ zei de kunstenaar. Toen stuifmeel zijn oog raakte werd hij kleurenblind en sindsdien tekende hij alleen nog zwart op zwart.
            ‘Wat een wonderlijke bloem toch,’ zei een bouwvakker. Toen ze een blad aanraakte verlamden haar handen en kon ze geen steen meer metselen.

Hoe hoger en witter de bloem werd des te langer en witter werd Benjamin, tot hij bijna doorschijnend was. Zijn benen waren als rietpennen van dode archivarissen. Op weg naar zijn bloem nam hij er lange stappen mee door de hoge gangen. De muren zinderden van de eeuwenoude lucht die alleen rond middernacht verstoord werd door de man die alles haatte.

Maar waar haalde hij het water vandaan waarmee hij de plant voedde? Niet uit de kranen beneden of buiten het huis. Die gaven alleen fris leven aan de dorstige. Nee, wat er in de gieter stroomde kwam direct uit zijn aderen. In de kelder zat een laboratorium waar hij een liter levensvocht per avond aftapte.

Op een dag wist Benjamin dat de bloem gereed was om zijn zaad af te geven. Die avond was het zo koud dat hij de vullingen in zijn mond voelde ratelen, terwijl hij de tocht van de kelder naar de patio ondernam. Zijn schaduw kwam maar onwillig los van de muren.

Toen hij de monsterlijke bloem zag die als een monstrueuze ster van verdriet tegen de hemel afstak, kwamen er sporen vanaf die straalden alsof een alternatieve dag werd geboren. De sporen vielen op Benjamin neer, terwijl hij zijn kamerjas en overhemd uittrok. Gestaag trokken ze in zijn naakte witheid en kleurden hem een zwartig geel als van rottende mosterd.

Zodra hij zag dat de kelk van de bloem zich opende lachte hij een akelige schedelachtige lach die werd afgeknepen toen zijn hoofd in de kelk verdween. Het knokige lichaam volgde geluidloos.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten