dinsdag 4 oktober 2016

Dit ben ik allemaal


 
Dansend in de kamer, van het Franse balkon naar het bureau, met een kleine omweg langs de keuken om de aansteker weg te leggen, proeft hij de smaak van bittere zonde in zijn mond. Het is de laatste sigaret van de dag, daar is geen twijfel over. Het is misschien de laatste sigaret van zijn leven, maar dat veroorzaakt ook bij hem een glimlachje. Er is maar één ding waar ooit echt een eind aan komt en dat overleeft niemand.
            Hij stapt van de ene op de andere voet, kunstig schuivend over het parket, vernuftige bewegingen van zijn tenen makend. Het uur is te laat om zich echt over te geven aan het ritme. Zelfs de lampen in zijn huis lijken de schemering op te zoeken. Het wordt steeds vroeger donker en in zijn hoofd lijkt een vuurtoren aangezet. Onverschillig belicht het de onderlagen van zijn gedachtes.
            De droom van die ochtend, zo lang gerekt en overtuigend, een eigenzinnig genot waaruit een speelfilm werd geboren waarvan de redacteur zich te buiten was gegaan aan psychedelische drugs, had hem vroegtijdig gewekt. Het veroorzaakte een onrust in lichaam en leden, alsof er onder de lakens een droeve dans plaatsvond. Flarden speelden nog door, maar het herhaalde in bed omdraaien, de zoektocht naar nog even afstand van de wereld, liet de droom langzaam oplossen. Vergeten alsof ze nooit anders had bestaan dan in het ongemakkelijke gevoel iets te hebben gemist.
            Hij kende dat. Hij kende gevoelens van ongemak al te goed. Alsof er een sluis in de rivier van zijn onderste brein, die vlak boven de ruggengraat, openstond, of in ieder geval trilde als een blaadje in de wind, steeds op zoek naar verlossing van de boom. Als die sluis zou breken en het water binnenkwam, wat dan? Dat was zijn zorg. Niet het trillen zelf. Niet de gevoelens die werden veroorzaakt, maar de angst dat iets onverwachts hem zou overspoelen.
            Eigenlijk was de wekker als een bevrijder, met zijn twaalf-uur-van-de-eerste-maandag-van-de-maand-schreeuw. Het tergende elektrische apparaat was geen vriendelijke moeder, maar een hardhandig gierende brandweerman. Moeizaam rekte hij zich uit om nog enige afstand te scheppen tussen zijn slaappoging en de werkelijkheid van opstaan. Er was het een en ander dat op hem wachtte. Er was een reden om op te staan. Een zelfzuchtige reden, dat wel, maar alles hing samen met discipline, ook zelfzucht.

Hij wandelt weer in een dansje van het balkonnetje. Op de muziek van een andere band, een spirituele klank in trompet en krakende zang gevat. Hij denkt over identiteit. Een boek dat hij aan het lezen is over het veranderen van het geslacht door de moeder, het krijgen van kinderen en hoe de partner daarmee omgaat, over hoe de wereld reageert en mensen indeelt in acceptabele types. Het verbaast hem eigenlijk een beetje. Hij heeft nooit twijfels gehad over zijn identiteit. Een dichter die hij op het internet sprak vertelde hem dat het een kwestie van white priviledge is om zo te denken, om niet te twijfelen aan zijn identiteit. Hij voelde zich nooit wit, ook niet in de omgang met gekleurde mensen. Hij voelde zich meestal man in de omgang met vrouwen.
            Hij denkt, misschien een beetje gemeen, dat de aandacht die bepaalde mensen besteden aan hun identiteit, en het kwaad dat deze wordt aangedaan, misschien ook iets te maken heeft met hun onzekerheid over hun identiteit. Die heeft hij nooit gekend. Hij heeft er natuurlijk voor moeten strijden om te zijn wie hij is. Het is niet altijd makkelijk geweest. Ook nu voelt hij zich meestal een buitenstaander. De helft van de tijd begrijpt hij niet hoe mensen ‘gewoon’ kunnen zijn en dat als vanzelfsprekend ervaren. Niet dat hij twijfelt aan wie hij is, maar omdat het zo gek voorkomt om iets te delen met zoveel mensen tegelijk.
            Hij vraagt zich af hoe dat moet zijn, zich thuis voelen. De enige plek waar hij zich echt thuis voelt is in zijn huis, zijn toren die boven de wereld uitstijgt. Al bevindt deze zich maar op de vierde verdieping en wordt het uitzicht op zijn balkonnetje door genoeg andere woningen verstoord. Als hij naar de interieurs aan de overkant kijkt ziet hij veel eenvormigheid, veel huiselijkheid. Hij ziet mensen die bijna gedachteloos door luxe waden. Alles is nieuw en nonchalant. Zijn huis is moeilijk te beschrijven. Het is waarschijnlijk vooral de nestwarmte die het onderscheid maakt. Alles in zijn huis is van hem. De klank van de muren als er een stem tegen kaatst. Het stof achter de installatie. De vlekjes in zijn luie stoel. Het brandgaatje dat een vriend lang geleden in het tapijt maakte met een dronken vergeten sigaret.
            Ja, hij heeft vaak genoeg getwijfeld over wie hij is en zich daar ook kwetsbaar in gevoeld, maar hij heeft nooit getwijfeld over de kern van wie hij is. Dat beestje, dat lichaam, al die gedachten en gevoelens, dat kwetsbare en die behoefte deze weg te nemen door stoerheid, al dan niet extern. Al dat is de kast van de computer, de chips, de processor, de kabels en ventilators. Dat alles opgeteld maakt een mens, als hij zoemt en soms zucht onder de taak die wordt gesteld.

Hij loopt weer van het balkonnetje, nog steeds met een dans in zijn voeten, al volgen ze nu een wat meer solide pad over het parket en hij denkt aan een discussie die hij op internet had. Over een nieuwe tv-serie met een ‘superheld’ in de hoofdrol. Er vielen dingen over te schrijven, positief en negatief, maar dat laatste was nauwelijks aan hem besteed, zeker toen iemand het ‘kinderachtig gerommel’ noemde.
            Ja, dacht hij, ‘kinderachtig’. Want kinderen kunnen dromen en fantaseren en volwassenen moeten dat verleren. Die moeten de verantwoordelijkheid van het ‘echte leven’ op zich nemen en daar hoort frivoliteit niet bij. Zo is zijn cultuur, bedenkt hij zich. Het calvinisme dat in het bot verstopt zit, al is God allang weg. Zelfs nu nog, nu de wereld weer vol verbeelding zit, commercieel of niet, zelfs nu nog zegt alles in hem dat het ‘kinderachtig’ is en dat het dromen en fantaseren moet stoppen.
            Maar iets in hem, dat andere mannetje, merkt dat hij er behoefte aan heeft om te kunnen dromen en fantaseren als hij leest of tv kijkt. Ja, maar dat is het dus ook, zijn hoofd zit vol met allerlei diertjes! Het is zo’n beetje een dierentuin daarbinnen, met allemaal een eigen biotoop en doel in het leven. Soms lopen ze elkaar in de weg, maar allemaal zeggen ze, als hij ernaar vraagt, in ieder geval één ding: dit ben ik allemaal.
            Nadat hij het kijken afrondde las hij een essay over een Duitse schrijver, een kettingroker en hopeloos verloren man, gevangen tussen twee oorlogen in een boek dat niet af kon komen. Hij heeft het boek in zijn kast staan en leest de eerste alinea, een technische verhandeling over de weersomstandigheden van wat een ‘mooie augustusdag’ is. Ach, waarom kom ik niet op zoiets, dacht hij, waarom ben ik de hele tijd met andere zaken bezig dan met schrijven?
            Het is laat en de muziek gaat uit. Tijd om te slapen. Tijd om wakker te worden met nieuwe dromen in het lichaam.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten