donderdag 18 juni 2015

Maandagavondgedichten 4

Na bijna twee en een half jaar ben ik gestopt met dichten op de maandagavond. Niet omdat ik niet meer dicht, maar omdat het tijd werd de avond te verplaatsten. Die verplaatsing gaat samen met een nieuwe richting.

De afgelopen jaren heb ik de uiterste vrijheid gezocht in mijn dichten. Niet dat ik van alles maar zomaar heb gedaan, nee, ik heb gekeken naar wat mijn eigen bereik is, naar wat ik zelf mooi en leuk vind. Dit heeft geresulteerd in een hele verzameling van losse gedichten en een standvastiger gevoel over wat mijn 'poëtische ideaal' is. Dat laatste klinkt zwaarder dan het is.

Wat ik in die tijd heb gedaan ben ik nu aan het ordenen onder de voorlopige titel 'De vier staten van zijn'. Deze onderscheid ik als: het ik, de wij, de familie en de maatschappij. Het blijkt dat deze onderverdeling een extra betekenis geeft aan gedichten die vooral chronologisch zijn geschreven. Ik bedoel met dat laatste dat het oorspronkelijk niet de opzet was de gedichten opnieuw te arrangeren.

Het nieuwe project, met als uitgangspunt 'Woensdagavondgedicht', zal met elkaar een geheel gaan vormen. Ik ben eigenlijk heel blij eindelijk een goede invalshoek daarvoor te hebben gevonden. Het is net alsof ik als dichter weer een stukje volwassener ben geworden. Ik weet nog niet of ik hiervan werk voortijdig op het net zal zetten. Voorlopig houd ik mij wel bij de maandagavondgedichten.





De vier staten van zijn


1

Aardewerk dat over de oceaan beweegt
Gehangen titaan van gedachten gevangen
Het stijgt daar in de Kaukasus steeds hoger
Waar een eenzaam mens zich op weg wandelt
Draaiende om de behoefte voor altijd
De behoefte om zo als één te zijn
De behoefte om te verdwijnen
Zou dat mogen
In zichzelf gekeerd
De omvang van een nul
Waar niets zich het midden vindt
Waar alles een krans van kantelen vormt.


2

Als schimmen hangen ze aan elkaar
Waar woorden ontstaan die iets van liefde vangen
Soms zijn ze gefluisterd en pakken ze het vast
Misschien een tramkaart waarin ze opgaan
Vergeten waar de feiten huizen
Vergeten om nog even een berichtje te sturen
Naar de buur die op de katten past
Aan elkaars lippen, ze zijn geklonken
Ze pakken het tienvingerig vast
Vlinders, dat zijn ze
Op zoek naar een cocon


3

Dit is pas waar het ingewikkeld wordt
Als vader en moeder nog een kind krijgen
Maar van welke ouders dan, kan je dat niet zeggen
Welke ouders willen niet de beste school
Dit kind dat een mens is, geschapen uit twee
Deze vader die een moeder is, deze moeder
Dit kind dat een vader is, deze moeder
Dit kind die slangen in zijn nest bemind
Waar nu heen met je klachten
Als we alle drie door de kou moeten
Op weg naar een school waar voor eens en altijd
Want dat is wat we verlangen als we van drie zijn
Een school waarin de wereld verstopt zit


4

Vier is het getal van de liederlijkheid
Wanneer darmen zich rondom kantjils kronkelen
Of misschien zijn het wel de wijzen
Misschien zijn het wel de wijzen die verdwaald zijn
Misschien is het een delirium, iets dat vergeten is
Het aardewerk aan gruzelementen
De scherven een gericht waar menig paus van opkijkt
Misschien is het wel
De vergeten vriend aan de andere kant van de stad
Al zou die jou ook vergeten kunnen hebben
Misschien is het een flatgebouw vol oversten
Wanneer in vierstemmig kantoor Bach wordt gefloten
Misschien is het de dans die de enkeling voert
Op een feestje waar iedereen enkeling is
Handen in elkaar geslagen
Flapdrol van een groet
God heeft het nakijken





Oddyseus verlaat


Circe draagt een kruis voor hem
Zijn varkens van mannen genieten
Hangen aan de bar zonder wifi
Hun luizen leven zelfs nog beter
Met zwijnspoten is het slecht krabben

Circe draagt zijn kruis weer door de kamer
Jodelend rent hij mee, driekwart glas vol
Schuimend Belgisch goud dat lokt
Dronken vrijen ze de maan op, trekken
Als hij uitgeput het meisje afwipt

Circe rent met een kruis over het strand
Alle geneugten ontsnappen de brand
Zijn zwijnen rennen het volle sop in
Hij klingelklangelt met een triangel
In konfijt gelegde koeienballen

Circe duwt haar kruis in zijn neus
Baardhaar en schaamhaar aan elkaar
Krabbend, zwetend, de trage maan is rood
Zwijntjes overal in elke hoek en de bediening
Met olie geschaafde harige ruggen

Circe draagt parelmoes aan, honderd
Krabbenpootjes, kikkerbilletjes
De ster van een banaan, in yoghurt
Dubbeldrank en bitterbal, alles wat te koop
Alles wat te koop is

Circe ligt uitgeput in de bijkamer
Roos schilferend van de Labia Majora
Hij denkt aan zijn vrouw, hoog geboren
Hij denkt aan het mannetje op de maan
Die hem zag dwalen, vergeten, voldaan




Something’s got me started


In het huis van de poëten
Gekleed in sigarettenrook
Morsig mompelend over een geslaagde passage
Waar bier zijn angst onderdrukte

Het niveau van gesprek
Onderhuids gevoerd
Waar een meisje zich over haar ego streelde
Zijn das een vormeloos ding

De uitgever aarzelde of hij werkelijk was
Zijn vriend vroeg hem naar de zinnen en het geld
Zijn vijand riep zijn naam in een vloek en felicitatie
Hij giechelde hysterisch toen iemand hard BRIL schreeuwde
 





Tegenaarde


Aan de andere kant van de zon, in perfect evenwicht
Met ons modderspoor van een planeet
Een aarde die nooit wordt gezien
Geen telescoop kan er een spiegelreflex op leggen

            Alles daar is anders, zoals tegenvoeters op Aarde
Tegengesteld aan hun tegenvoeters aan de andere zijde
Er zijn geen graantekorten in Afrika of stropers in Zuid-China
Maar overschotten aan brood en bolletjes
Teveel neushoorns om te tellen
Telramen schuiven de andere kant op
Niemand wil bezuinigen op de zorgtoeslag

            Op Tegenaarde heerst geen koning zonder kiezer
Er dwaalt geen seriemoordenaar tussen de schapen
Zijn kleed is als van alle anderen: schuldig en vol begrip
Er zijn altijd schapen moe van het leven
Hij mag ze kelen met veel plezier
Het vermoeide bloed dat uit hun ogen trekt
De camera die op zijn grijns inzoomt

            Op Tegenaarde zijn alle vrouwen verliefd op een ander
Ook als deze lelijk en zonder centen zit
Verknoopt in haar hart weet ze alleen wat ze voelt
En wat denkt hij? Hij wil haar tot op het bot
Geen ander kan zijn lust bekoelen
Al draait porno in de etalage op elke hoek

            Op Tegenaarde brengt zij versleten schoenen heen
En krijgt er onderdak voor terug
Een knus huisje afgezonderd van alle anderen, met moestuin
Waarvan de hele buurt mag leven
Iedereen zoekt de ander op als het even meezit
Allen hebben iets van handel in hun huid, ze kopen niks
Al draait porno in de etalage op elke hoek

Maar wie maakt die porno dan die zo populair niet is?
In elke slaapkamer hangt een camera en de liefde
Alles daaraan wat vleselijk is, maar ook gevoelens
Dat moment van lichamen scheiden, waar onbegrip struikelt
Soms als iemand zich niet helemaal vredig voelt
Soms is dat zo, ook op Tegenaarde



Wij hebben ook rechten


‘holding that corporations are guaranteed the freedom of speech and of the press,
safeguarded by the due process
of law clause of the Fourteenth Amendment,’

Op die dag brak ik de arm van de hamer
Bij het ontwortelen van de schroef
Van de kast in de hal
Die verplaatst moest worden
Naar de andere hal

‘corporations and other associations, like individuals, contribute to the discussion,
debate, and the dissemination of information and ideas...’

Het was steeds een andere klant die mij aansprak
Ik was vredelievend, gebruikte de juiste woorden
Hier is de stede waar ik werk
Dit is de muur waarvoor u bent gekomen
Kijk daar eens, een apenkind dat strapatsen maakt
Zie hoe jolig het u ontvangt

‘no less true because the speech comes from a corporation
rather than an individual.’

Wij zaten met zijn allen tegen de kant
Waar computers hun stille zucht uitten
Alweer, dachten we dat ze wilden zeggen
Alweer dezelfde opdracht in een nieuw licht?
Wij namen brood uit de monden en pakten dat in
Niemand was arm genoeg
Niemand had iets te drogen te leggen
Het bleek achteraf een perfecte wereld

‘rejected the arguments that corporate participation
would exert an undue influence on the outcome...’

Want glas had zich tegen ons gekeerd
Dik zwart matglas, industrieel bereid
Dat als pegels tranen het kantoor omhelsde.
Waar steeds minder woorden uitkwamen
Steeds minder stemmen werden gehoord
Niemand nog een banaan aan zijn oor onttrok

‘drown out other points of view’
‘destroy the confidence of the people in the democratic process…’
schreef judge Scalia



Een nieuwe roes


Maar nu toch verlang ik naar andere landen;
Een kust, een zee bezocht door vissers en goden. Hier
Vermoeit mij het fijn licht, de koude gulden regel,
En het gebrek aan wat de aarde geven kan: een nieuwe roes

                                                                       Hans Andreus

Wat kan de aarde geven, geen aarde maar zand, zand dat aanspoelt
Zand dat door computers wordt omgeven, dat is wat de aarde aankan
Dit zand is wat mijn botten tergt, want soms zak ik in elkaar
Bij het aanzien van het saaie, dat wat zich in gezelligheid hult
Soms vergeet ik wel eens waar ik ben geboren:
            In een puntzak
            De mayonaise onderop
Soms denk ik te kunnen vliegen, als een moorkop in een mond
Dan weer dans ik door de straten en zie hoe iedereen kijkt.
Gek, maar dat klinkt ongezond

Soms hoop ik dat de luchtvaart mij zou kapen, op vingers verder
Een eiland waar geen pubers zijn, maar ook geen ambtenaar
Soms wil ik een negerin zijn in een publiek van dichters
De enige met kleur in mijn woorden, of in ieder geval vorm
            Dan juich ik alleen voor zigeuners
            Met huifkar van gewapend beton
Maar als kwal aangespoeld op dit blanke strand.
Het is soms wat veel dril aan mijn kont

Wat kan dit land geven, behalve een zuinige moedermond
De klank van kale rapieren als pennen op een contract
Waar kinderen schreeuwen, de kauwgum uitgekauwd
Waar meisjes hun zwangerschapstest aan fb toevertrouwen
            Hier is alles vierkant en verbouwd
            Hier trekt iedereen zich terug in een ouwe mouw
Dat wat gek is is normaal, dat wat groot is uit de maat
Dat wat tot zeven telt van de slag
Dat wat een grote bek heeft mag nog eenmaal



5 dagen na Oud & Nieuw


Het lijkt een eeuw geleden dat we zo dartel.
Dat springen wat we deden, in die stenen ruimte
Vol leven en kracht, het lijkt zo lang geleden.
Dat was zeker geen sport

Ruimte lag er om ons heen, zo ver we kijken konden
Havenwater, kraanhotel, lag alles vol sterren.
Dat vuurwerk, die plastic glazen bubbels
Dat alles om ons heen we vergaten

Even een moment dat iemand kanker had, dat was
Even een moment dat iemand vermoeidheid had
Dat iemand zijn moeder verloor
Een jaar waar iedereen over jubelde
            Of huilde

De lucht is weer schoon zoals we haar kennen
De eerste sirene heeft gehuild zoals elke maand
Het noeste heeft weer toegeslagen
De dagen worden langzaam langer

Even zijn de netvliezen schoon en om op te vreten



'Uit de inkt'

Uit de inkt komt een gezicht tevoorschijn
Theseus op jacht naar de paardmensen
Eén maaltijd teveel en alles zakt in elkaar

Het papier schuift onweerstaanbaar
Als het door de kamer trekt en beelden maakt
Van grijs naar zwart, helemaal opgegaan in wit

Als woorden, maar dan in vette kronkels, zich
Onuitstaanbaar makend in hun eigenzinnigheid
Krimp maar, zeggen ze, krimp en ga dood!

Eenzaam wordt alles kleiner, waar we aan raakten
Wat ooit een horizon was, wat schoonheid
Wat was zo mooi aan elke dag opstaan, op zijn minst,

Wat was zo mooi aan die wandeling, herinnering.
Je wordt alsmaar kleiner en ontsnapt als een beest.
Ik jaag op je, ik zal je slachten, maar jij blijft me altijd voor



De hier geplaatste gedichten worden in omgekeerde vorm van schrijven gepresenteerd, dus de laatste het eerst. Hoewel ik aan allen tussendoor nog wel eens heb geknutseld is nog geen ‘af’. Dat komt pas als ze op papier verschijnen. Voor de eerste editie van Maandagavondgedichten kijk hier. Voor de tweede hier. De derde hier.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten