donderdag 25 september 2014

Maandagavondgedichten (2)

Het afgelopen paar jaar heb ik elke week een avond gereserveerd om een gedicht te maken. Dit heb ik gedaan omdat ik het begon te missen, dat dichten. Er zit iets in wat zich niet laat zien in de andere disciplines die ik beoefen. Meestal neem ik plaats in een luie stoel met een kast vol dichtbundels naast me en grasduin ik door wat anderen met zoveel liefde hebben gemaakt.  Tijdens het lezen, en soms al eerder, heeft een vorm en een inhoud zich gepresenteerd. Soms borrelden er ook al hele zinnen op tijdens het lezen. Na een uur of twee ga ik naar beneden en schrijf het gedicht.

De hier geplaatste gedichten zijn al eerder verschenen, op Facebook of in een blog. Ze worden in omgekeerde vorm van schrijven gepresenteerd, dus de laatste het eerst. Hoewel ik aan allen tussendoor nog wel eens heb geknutseld is geen nog ‘af’. Dat komt pas als ze op papier verschijnen. Voor de eerste editie van Maandagavondgedichten kijk hier.



Eilandhoppen

De zon, de maan, ze wisselden elkaar af, de zon rees
Al kermend kwam het licht door gordijnen binnen
Stug liep hij naar het koffiezetapparaat, tandenborstel
Stil op de bank met telefoon in de hand, tijd te veel.

Hij raakte kleding kwijt aan de ochtend en ging terug
Op sokken zwart en onderbroek in bed gekropen
            Zij was nog zachter dan de slaap
            Hij streelde even en streelde hier
            Zijn vinger voerde het zuchten op
            Zijn vinger en de andere vinger
            Haar huid geknepen
            Streling die even verder ging
            De vinger stond stil
Als op Delos toen moeder Latona geboorte deed uitkomen
Aan Maan en Zon, lag Delos stil, trilde Delos wild

Met de vinger hier binnen waar het vochtig is geworden
Met de andere vinger erbij tot zij kreunend om hem plakte
Met de vinger omhoog naar dat eilandje dat trilde en hij
Met de vinger daar doorheen waar een vochtige wal van vlees
Een wal van vlees die zich opwierp, die zich onderwierp
Haar lichaam dat steeds strakker stond als een sikkelmaan
Zijn hand als een grijper waarvan de ene kant diep groef
Waarvan de andere kant steeds weer dat eilandje indrukte
Gevangen tussen Gyaros en Mykonos was een feestje
Zijn vingers die van binnen uitstulpingen fantaseerden
Zijn duim die het eilandje naar boven duwde naar adem
            Haar hand liet zijn Jupiter niet met rust
Zijn hand die haar hele onderwereld in een greep van vlees hield
Tot ze niet meer kon, tot ze smeekte en zei stop

Toen kreeg hij koffie, thee, souvlaki, het dwergengoud
En bescheen de zon zijn pad naar de trein thuis en verderop


Don't answer me


Captain America, kun je mijn nachtlampje repareren
Kun je er iets aan doen dat het zo schitterend knippert
Dat het is als het licht van de sterren, verwaterd
Waar atmosfeer en zoveel vliegtuigen aan knagen
Waardoor hier op aarde geen goede boeken worden gelezen

Mijn lichtje dat soms gek uit de hoek komt, aarzelend
Kopjes gevend de nacht verluchtigd, het is volgens mij
Niks, niks om je zorgen te maken, maar soms is het
Donker en soms onduidelijk, inkt en onweer, het slaat neer
Soms lijken gaten wel groter en vallen kometen rond

Het is vast niks, als regenboog, als wakker worden, maar dan
In een droom gelegen, met het zuur dat vreet en de maden
Lik ik hier in een kist batterijen, van Black Lantern gekregen
Draait alles schommelend rond de vliegen, koning van angst
            Radeloos, ik spreek je, radeloos spreek ik, het tanende!

Ik zie het alweer, o mijn Captain, je bent even afgeleid
Een land staat onder water, een oliebedrijf in nood, rode schedels
Van verdriet, hongerige kindjes op westerse plantages
Ik zie het wel, ik heb ook een schroevendraaier, jij hebt nog
Een handtekening te zetten, ik heb ook een schroevendraaier

Het komt wel goed, ja, eerst de stekker uit het stopcontact
Dank, voor de goede raad.



Stervend oog


In Dantes jurk loopt Vergilius over honderd graven
Waar monniken bedolven liggen, tandems kruislings
Over de borst gelegd een ring van bladerdeeg en Griekse kaas
Daar waar eeuwen van priesters zich begaven, branding
Teisterend, falende zee, rotsige lucht, tijd, tijd, draai maar door

Waar de kring van steen bovenop een berg met uitzicht op Troje
Slaat Hendrix een toon en gitaar gaapt als een cycloop
Anaal is het weer, regen stilt de lust, strand wacht apart
Waar Megatron en Skywalker ontmoeten, vecht Hendrik Marsman
Zijn fiets kapot, aan Duitsers ontloken, het zweeft maar aan

In de verte staat een zwarte frontman, elektronen op elkaar
De dans stuiterde alsmaar, why can't I be you, will you bite
The hand that feeds, en steeds maar weer die knullen en meiden
Met woorden die falen, vallend in een zee van zelfbehoud en steeds
Maar weer die volwassen klank, lepralijdende Matheus Passion

Waar de jeugd haar waarde botst, brandend in woeste kolken rots
Rots waar jij beviel, jij monstermuis, jij rotschoft van de Balkan
Jij lachte weer en verstopte je achter een kamerscherm, rietmotief
Jij klemde in waar twee stenen kleiner werden, jij Slauerhoff
Jij Whitman, jij moordenaar van mooie woorden, jij vermoordt mij!

Je pijnigt witte zalen, maanloze nachten, losvaste vrijpartij

 

Van beweging uit


Vanuit het nest, kruipt de trap
Straat die eens tegels was, baksteen
Baksteen all around, Eftelinglamp
Draag je led alleen in de avond

Traag de straat, slag van eenvoud
Gympen sluiten, panter niemand
Links ligt brak, twintigste-eeuwse
Huizen vergruist, geen stalen kogel

Geen stripverband, woestenij van Egypte
Ik heers niet meer over deze brij
Naar rechts waar iedereen tegenstreeft
Djellaba, hipsterbaard, Amsterdams paard

En dan, een storm uit een boek, Marsman
Eigendom, bliksem in Zeus’ hand
Waait het mijn neus binnen, die bloemen
Dik in geur, Helena van zoet versteld

 

Griekenland, lapjeskat


Blauw is het water dat de hemel herbergt
Licht de lucht die water van de berg scheidt
Rood is het bruin dat de berg kruint
Duizend tinten impressionistenverf

            Turkoois spoor waarin de boot zwijgt
            Telkens een eiland van de kaart geveegd

Schimmen dolfijnen, zwarte schimmen onrust
Golven tegen golf in, bruin en grijs naderbij
Lag de zon in kringen tegen stenen heuvels
Lag het marmeren pad door pilaar gebeten

            Blokjes wit opeen gestapeld kaatsen zee
            Niks daaraan is ongelegen

Groen verborgen in glanzende bloemenpracht
Daar staat de tempel, wit en leeg gelaten
Waar de god zijn stempel heeft vergeten
Waar een roestrood hek daemonen buiten houdt

            Citroen uit tuin geplukt, majoraan en kardemom
            Dragen sinaasappels de wereld mee

Daar leeft in de baai Poseidon groots als koper
Drietand in aanslag geheven, donkergroen
Tunnel zout geslagen die van olijf heeft verloren
Zand wit met zonnebrand, huid bruin met leven


Op de linker pier


‘Ik weet hoe het is om aan de rand te staan
Hoe het is om te vallen en te zijn
Zoals die mensen, je kent ze wel,
Die diep zijn gevallen en alleen nog maar
De binnenkant zien, hun ogen een spiegel
            van zichzelf’

Tranen als regen vielen zachtjes
De zon boven de zee gehuld in sluiend zilver
Een golf stak langzaam af, sloeg hard

Tegen de pier, waar kubussen van beton
Dichterbij het water, gekleed in wier en schelp
Verderop de pier kubussen met gaten

Waar water hard doorheen pompte
Sissende vulkaan van belletjes, wit
Sluier die maar niet wegtrok, zon

Strand gekleed in menselijk kippenvel
De ene stond op en sloeg zich af, de ander
Parasol diep in het zand, telefoon in de hand

Er waren nog geen tranen, er was nog geen regen
Nog geen donder, bliksem, fluwelen wolkbreuk
            Nerveus kloppend meisjeshart
            Kat gevangen door koplamp

Stil keken ze naar het water, hun lijn slap
Op een klapstoeltje, biddend tot het water
Broek tot over de heup, emmer vol worm

Buikje in een rimpel, rood aan het oog
Zijn stem herhalend: ‘We weten niet waarom
Vissen aan deze kant soms beter bijten

We weten niet waarom, binnen de pier
Buiten de pier.’ Hij luisterde niet, herhaalde het
En ik luisterde niet, zon van kant, telefoon te stil

Het is de laatste dag vandaag en heel traag
Trekt zomer haar herfst aan, een kleurig pak
Keurig op maat voor koukleumen

Het regent nog niet, maar alles belooft ons
Een einde, een dood, een smalle afdaling
Het laatste dat we zullen zien de tranen
Van het meisje tegenover ons, in tranen
Wat we voelen aan onze tranen, zelden
Lopen ze voor een ander, met een ander
            En ze weet het niet meer, ze is zo bang

 

De vier seizoenen

1

Zaden in de hand, aan hamers gezet, tikken en tokken we dat in elkaar, scheppen schapen met oren als tuiten en brommen vissen met kuiten als afuiten in een allengs donker wordende wereld, waarin zonsondergangen kaarsen en wolken windmolens afvangen. Omstebeurt dragen we ze het land op, kinderen van verstand, steentjes in het land, boerenslaaf. Voren diep als granietaders gevuld met het zweet des aanschijns, met arbeid adelt, met gen plus en geen rem.

Een regenboog zal alles verlichten in hongerende buiken!

2

Mijn maten en ik dragen de koorts graag mee van het vooruitgaan, het los laten staan, het nadrukkelijk streven, kuiven in ’t vet, paycheck aan de muur, onze held Henry T. Ford een plakkaat van verdienste. Wij hebben hier in handen een zeis van gebroken glas waar de hoop in glanst van de komende generatie. Wij zaaien geluk, wij zaaien nieuwe tijd, wij zaaien vrijheid in elke kier!

Met duimen in revers plaatsen wij onze voet op de nek van traditie.

3

Ons tegenspreken is een smog van pek dik als gif getrokken uit schimmelende kaas en pluizige jam. Ons tegenspreken maakt de woestijn droger, bergen onbereikbaar, sardines teveel in een blik om te tellen, straten vol terende bedelaars en een God alleen. Ons tegenspreken maakt patentinbreuk, maakt lawsuits, arme boerentroef, tronies van rottende honger en reflexloze ogen. Ons tegenspreken spreekt ons geld tegen, ons vertrouwen in het individuele kapitaal!

Spreek ons nog eens tegen en we gaan ervoor als klasseloze kannibaal!

4

Wij stampen voort met de ijzeren schoen, klikklakkend door straten en glasvezelkabels. Wij kleven aan de slapen van bijzitten en museummoeders, hun fietsbakken en vliegwielen in het vertrouwen dat groen licht zal schijnen. Wij klampen ons vast aan brievenbussen en lobbymeeuwen, vliegend met de wind van de massa. Wij zijn ongrijpbaar want onvermijdelijk. Wij zijn de toekomst = het verlangen. Wij zijn het gemak = gesloten ogen.

Wij kruipen in uw kieren en vragen geld voor elk van uw winden.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten