maandag 14 april 2014

Maandagavondgedichten


Het afgelopen twee jaar heb ik elke week een avond gereserveerd om een gedicht te maken. Dit heb ik gedaan omdat ik het begon te missen, dat dichten. Er zit iets in wat zich niet laat zien in de andere disciplines die ik beoefen. Meestal neem ik plaats in een luie stoel met een kast vol dichtbundels naast me en dan grasduin ik lekker door wat anderen met zoveel liefde hebben gemaakt. Na een uur of twee ga ik naar beneden en schrijf het gedicht. Tijdens het lezen, en soms al eerder, heeft een vorm en een inhoud zich gepresenteerd. Soms borrelden er ook al hele zinnen op tijdens het lezen.

De hier geplaatste gedichten zijn al eerder verschenen, op Facebook of in een blog. Ze worden in omgekeerde vorm van schrijven gepresenteerd, dus de laatste het eerst. Hoewel ik aan allen tussendoor nog wel eens heb geknutseld is geen nog ‘af’. Dat komt pas als ze op papier verschijnen.


Revolutie maken

There is no society, zei Thatcher in een laatste kuch
Er is alleen de ander en de hel, dat waar ieder alleen is
Dat sprak haar ondernemer, degene op haar begrafenis

Goedendag, vriend, je laatste uurtjes hebben geklonken
Het was tussen een en twee dat het busje zou komen
Waarin wij je dozen en wereld gingen tillen met een Pool
Misschien was het een Tsjech, in ieder geval kon hij rijden
Iets dat wij alleen kunnen in woorden, daar op de trap
In de wacht voor het nieuwe, uitgespuugd door nood
Je poëzie schoot tekort in het werk, geen cent gegeven
Je trouw een povere kompaan van efficiëntie
Het is je gegund, dit nieuwe, deze volgende stap
Het is maar de vraag, waar is de droom naar uitgeweken?
In het klein waren wij een stam binnen een grote
De formele wereld te klein om liefde te vatten
Dat alles raakt van stuk, dat alles niet meer te lijmen

Wat als de leiders zullen worden als alle rijken
Licht van stap, slap van zeggingskracht, hard van binnen
Terwijl ze hun goud opstapelen in kooien van Midas

Wie zal ons wreken, Avengers, ik roep jullie aan
Ik roep om de storm, ik roep om het schild
Ik roep om het harnas en roep om de pijl
Ik vraag om een pistool om de wereld te wreken!
Woest als een groen dier zal ik zuster en broer omhelzen
Om hun vader Aighistos in het bloed te sneven
Gelijk te trekken wat niet in geld is te tellen



Maanziek

Schijnsel dat als geheel de hemel omvat, jij bronst
Jij zilvert en graaft nog maar eens een gat, jij goudt
Jij ligt in spaarzame wegen waar fietsen nog kezen
Jij jubelt en joecheit als een net uitgekomen ei, hoeree
Hoespee, hoe gaat die verder zo allee

Jij rolt en dolt als een domme bromtol in hoofden van schuim
Zoet en peper dwarrelen uit jij, sporen van blaadjes
Pornografische papieren bootjes op golven van marmer

Ja alles is marmer met aderen van kalkblauw
Jij die daar ligt te trillen, jij die een mopsneus niet zou willen
Jij die onzalig ziekenauto’s in sirenen verandert
Ongelukkige gewonden over het ijs sleept

Radbrakende hamer jij, snuffelend ijsbeeroog jij
Jij martelt de bromtollen die nog steeds kades tikken jij
Jij draait een sigaretje door het oog van de naald jij
En loopt als engelenpies over bakstenen straten

Jij was altijd zo vrij, jij liet ons gloren en boren
Jij was zo jong en wij zo balorig jij en wij zo als toen
Als was jij nog zo en nu zijn wij wij en zij zij
Raar ei, ik houd van jij met je spiegelgladde lei


Steady rollin’ man


Rustig wring het hout los als geheel
Roestige spijkers geven stug mee
Even blijft het hangen, haak in een vis
Een voorzichtige ruk, beetje rechts
Alles komt los en hangt even
Heel even
Gespreide vleugels voor een wolk

Na drie stukken ander hout gewogen
Met de hand en het oog, waar vorm
Zaag erin en onderarm die trekt
Spier trekt samen
Spier trekt samen
Hout dat zich miraculeus naar de hand zet
Laat zich zetten

Houtlijm, boormachine, een zacht torren
Zes schroefjes vinden hun weg
Het oude hout eronder geeft mee
Met een lichte zucht, het is blij
Het heeft nood aan nog een schroef
En dan staat het fors als een brug
Voetplank voor gelovigen

Met zonnebloemolie balsemen
Als met letters een boek breien
Als met lijnen canvas steigeren
Als met de tijd schoonheid schrijven
Donkerbruin glanzend draagt het
Het draagt de voeten
Van de behoeftige, van de geest



Debutantenleed

Op het podium staat er één, slank talent
Stem die Orpheus overstemt, dunne den
Dithyramben die Hilversums mummelen
Ze is de jongste in dit nest, allen hongerig

Ze spreekt met hem af en hij met een ander
En die weer met die en ze juichen elkaar toe
Het podium davert en dendert van hakken
Gympen die slordig langs glippen, woordeloos

Al de hele zaal die zingt, zoveel vogelkeeltjes
Goud, ze zijn de Huijgensen en Vondelaars
Ze roepen dat ze groeien, zoete klanken broeien
Ze geven het mes maar zonder door te snijden

Ze weigeren enig commentaar onwelvallig
En rennen nerveus, mieren in de hoop dat zij
Dat zij als enige nog overblijft een gouden plak
Een cake vol veilen, scheermessen diamant

Er zal een dag komen dat ze moet weten, of ze
Dat bureau aan de vuilnisman mag meegeven
Dat ze nog eenmaal mag kwelen, maar dan
In boekvorm gegoten, pagina’s afgesabbeld



Grieks verzet

Daar is het vol van, dat land van rots ziet zachte spons
Bakkende in een onsterfelijk oude zon uit koper slag
Zee in een scherp envelop van branding gelegen
Waar menig houten schip zich splinters sloeg

De Faiaken liggen dan misschien drie vadem onder
In hun kokons gebouwd van bijenkorf en olijfolie
Reeds verlaten door de god en die ene held, niemand
Tickets van menige Euro’s beloven gouden herinneringen

Het is altijd spannend om te moeten wachten, die maanden
Daar draaien de ruiende werkdagen om geld dat zich spint
Schaarser dan het ei in FEBO-mayonaise of een lieve duif

En langzaam zal de angst groeien, samen met het verzet
Tegen norse politici die de dag alsmaar aan willen lengen
Van plan zijn iedere ziektewet bij het grofvuil te zetten


Verjaarsvarkens

Aan de spanning van het jaar als een vuist
Gebold door de kamer dolt en druist
In de stilte van een korte dag, winkelwagens
Oliebollenkraam
Het krat bier in de hand naar beneden trekt
Aderen in het zwerk
Lichtloze wolken, de lamp, geef het op
Even wordt het donker van verwachtingen

Als dat jaar, werkend en vechtend, fundament
Voor fundament gelegd, een stapje verder
De verandering niet ontsprongen, dans
Het sloeg weer toe, luidde een klonk, brons
Het viel en daalde
Het trok maar weer broekspijp nat en rafelig
Het lag soms zieltogend

Als het traag volloopt, vrienden op vrienden
Stapelen bierkratjes en knabbelballen
Ploppen rookstikjes poepjes in de keuken, krabbel
Babbel bandgenoten, grapgejas, kerstgekeuvel
Bada-boem bada-beng over de horlepiep
Haasje achterna jassen van de muur
Het zat maar neer en sprak steeds weer

Van vriendschap

Het nieuwe jaar dat kruizen slaand, dollartekens
Aan sterrenhemels ontploffen zonder gene



Sinterklaasgedichtje


Balancerend tegen de ladder gelegen
De ene knie op naar de andere, vibrerend
Tegen de ladder gelegen, mijn collega
Reeds op het dak, in de goot, natte blaren
Schuivend

            Over daken, rennend achter een paard, pluim
            Zijn rinkelende oordingen, zijn pofbroek
            Schitterend in Spaanse kleuren, zo zonder gymp

Kruipend over de rand, ladder dringt zich op
Nat wat aan mijn knie ligt, nat wat elleboog
Aarzelend voelt het hoe de voet over de sport
Zoekend naar houvast, naar de rand van lood
Borend

            Tuimelend, hink-stapspringend paard voorbij
            De oude baas in baard verstopt, knecht
            Duiveltje langs dakpannen van rode klei, snel

Aarzelend met stoffer en blik bladerkoek dreggend
Takjes kraken, zakje proppen, plastic prikt zo
Alles gaat zo, alles drijft maar, water afvoerbuis
Plastic prikt zo en barst tegen het einde, als het
Valt

            Met een sprong langs de maanstonde, spiralen
            Pirouetten vliegend als een dronken vogel
            Karateka tijgerdans, op sloffen langs schoorstenen

Mijn collega beneden stapt terug als het valt, barst
Natte aarde herfstbladeren, bruine ster op kinderhoofdjes
Zijn dagen zijn geteld, de mijne lopen ook langzaam af
Hij pakt een nieuwe zak en propt de rest daarin
Perst

            Geen zorgen, geen wensen, niets anders dan dit
            Uitzondering op de regel, misschien zijn laatste
            Jaar zwart, misschien ook niet, wat niet weet dat niet

Twee schoenen zonder veters, gelegen aan de voet
Wachten op een zwervende eigenaar, zakmes ernaast
Van roest zo bot en nutteloos dat het steen hem snijdt
Polyester en schuim weerstaan het weer, duivengrijze
Binnenkant van twee laarzen verderop, een goot dood
Vinden geen vrinden in elkaar en klappen nat
Hard

            Hij springt soms als één, soms als twee of zeventig
            Hij is overal en draagt de zwaarste bromtollen aan
            Hij wint elke wedstrijd in het Olympisch pantheon
            Zijn broek geen bezwaar tegen deelname aan de marathon
            Zijn kleur ondergeschikt aan de dromende bedelaar


Marsbewoner

Waar de maan eens ging een voetstap van zand
Fijn en zilver, draden van licht in lucht gehangen
De wereld in haar vergeten, zij raket, zij astronaut
Zijn dancing on the moon, zijn reiken naar een zoen

Wirwar van gevoelens, status van economie en zo
Landen schurkend tegen elkander, Irak en Italië
Continenten drijven verder, centimeter centimeter
Onze bol niet groot genoeg voor al het koopgenot

Omsingelt door satellieten, capitulatie van de kerk
Onze blik reikt niet verder, mtv voorbij
Money for nothing, illegalen in de aanbieding.
De ring rond Zwitserland rekende het godsdeeltje uit.

In een raam aan de gracht zit een kind met een boek
Een droom van voetstappen op de rode planeet
Een reis van drie jaar naar de grens van ons lichaam
Het gaat echt gebeuren, denkt het kind

het gaat toch gebeuren


De laatste reis

I tried hard to have a father
But instead I had a dad”


Leeuwen gedaald, van het zwerk geplukt
Hun ruimteschip vaal, in rood en mandarijn
Voren diepe lucht, in mediterrane zee geëtst
Het strand een vriend, president van staal
Honey, je like was leuk, maar leo staat in de tuin

Xaviers brein dood, een doos waar de wereld schuilt
In stille jaren vijftig parmantigheid
Met de lanen recht lag zijn hart op straat
Want nee, dat was niet Bontekoe of de Hartog
Daar wilde hij geen belasting voor betalen

Zijn zeil gestreken in menig Noord-Hollands gat
Wachtend op het bekende: hartaanval of leverzuur
Een dobberen dat op zinken leek, maar dan zo traag
Twee kinderen in de periferie van het nieuws
Werd het tijd om de vlag te hijsen, het sop

            Behouden vaart, schipper
            Vaar wel, vader.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten