donderdag 6 maart 2014

Michelangelo's kunst


Natuurlijk heb ik al eerder een stukje met Michelangelo geschreven en dat is hier te vinden.


Waarom schilderen we eigenlijk niet meer zoals Michelangelo, of zoals velen na hem hebben gedaan? Waarom bestaat er zoiets als ‘moderne kunst’? Wat heeft moderne kunst voor ons gedaan?

Natuurlijk bedoel ik niet dat iedere kunstenaar werkelijk ALS Michelangelo zou moeten schilderen. Ik denk dat er weinig zijn die dat verlangen. Michelangelo is in dit geval een metafoor voor al het technisch uitgekiende ‘realistische’ schilderen en tekenen. Ook zijn beelden delen daarin.

Wat ik nogal eens hoor van mensen die naar mijn werk kijken, of naar dat van Picasso, Van Gogh, Herman Brood, noem maar op, is waarom het zo grof moet, waarom het de werkelijkheid niet afbeeldt. Zo nu en dan klinkt het als een verwijt, soms als een compliment. Smaken verschillen. Maar dat is het natuurlijk: vroeger verschilden de smaken niet. In de tijd van de Renaissance bestond dat verschil in smaken uit een keuze voor een stijvere, een soepelere, een iets sfeervolle, een meer goddelijke, enzovoort versie van de wereld boven ons en om ons heen. Wilt u spam bacon spam eggs or spam spam spam eggs spam?

Voordat Michelangelo zo’n succes had was kunst meer goddelijk geïnspireerd en moest het de hemel vertolken. Met hem, Raphaël en enkele anderen kwam de aardse werkelijkheid op de voorgrond. Stofuitdrukking moest juist zijn, het vlees moest leven, het was niet meer een afspiegeling van de hemel die we wilden zien, maar de werkelijkheid zoals de kunstenaar die kon scheppen. Nog steeds idealistisch, maar nu gegrond in onze waarneming. Rubens de wellustige, Caravaggio de strijdende, noem maar op. Dit materiële riep bewondering op, maar ook afkeer. Zo rond 1860 was er een kleine groep genaamd de Pre-Raphaëlieten die weer terug naar de Gouden Tijd wilde. Retro voor retro cool was en ook nog eens de eerste ‘kunststroming’ zoals wij die zo goed uit de twintigste eeuw kennen.

Frappant is dat Michelangelo en de zijnen als modern werden gezien in hun tijd. Bovendien brachten ze het oude ideaal van de klassieken (Rome, Griekenland voor Christus) tot leven en verbeterden hen zelfs. Ze werden zodoende gezien als het hoogste dat de mens kon bereiken in de beeldende kunst.

Maar waarom wordt er dus niet meer zo gewerkt, of preciezer, waarom wordt er niet meer zoveel waarde gehecht aan de technische perfectie en de uitbeelding van de werkelijkheid zoals wij die kennen? Waarom is het zo dat veel kunstacademies en kunstenaars zich liever met onherkenbare zaken bezig houden?

Een van de redenen is ongetwijfeld de uitvinding van de fotografie. Schilderen werd al millennia gebruikt als de enige manier (naast beeldhouwkunst natuurlijk) om de werkelijkheid af te beelden. In zekere zin heeft het zelfs de manier waarop wij kijken en denken beïnvloed. Er zijn sterke aanwijzingen te vinden dat de klassieke Romein of Athener zijn goden pas werkelijk ging zien in de vorm dat wij ze kennen nádat ze zodoende werden afgebeeld. Zeker de christelijke mens is zwaar beïnvloed in de verbeelding van het paradijs, God, etc., door hoe deze werden afgebeeld. Voor de kunstenaar was er altijd weer een uitdaging.

Maar na Michelangelo is daar weinig zinvolle verandering in gekomen, met als een soort van dieptepunt de Franse Renaissance, schilders als David en Gericault. Het is niet dat de kunstenaars na Michelangelo & co zoveel slechter waren, integendeel, Rembrandt, Vermeer, de hele Hollandse en Vlaamse school moest zich ook bewijzen, maar het centrale gegeven, de afbeelding van de werkelijkheid met alle middelen en virtuoos schilderwerk, veranderde niet. Dat was in wezen de enige uitdaging voor kunstenaars tot de uitvinding van de foto dit hun uit handen nam. Niet alleen was er toen een techniek die het uiteindelijk allemaal veel beter zou doen, maar er was ook geen reden meer om die manier van afbeelden als de enige te zien. En daar komen de moderne kunstenaars als de Impressionisten, Cezanne, Van Gogh, Gauguin bij kijken, want zij lieten zien dat de werkelijk niet op maar een manier te vangen was. Picasso en Braque braken het nog verder open door te tonen dat de werkelijkheid helemaal niet het enige uitgangspunt hoefde te zijn, maar dat afbeelden ook een gedachtegang kon volgen. Zo werd in wezen de conceptuele kunst geboren.

Wat al deze stromingen losmaakten, en samen daarmee allerlei filosofische overwegingen, was dat er niet één bepaalde manier van kijken was. In de eerste helft van de twintigste eeuw leefde heel sterk het idee dat er een soort ultiem doel was te bereiken. Het onzegbare, een soort van godheid, zou te vinden zijn door steeds meer weg te snijden. Zo komen we bij non-figuratief, of abstractie zoals veel graag foutief melden. Bij Mondriaan en Malevich bijvoorbeeld. De verschillende stromingen bestreden elkaar op leven en dood, de ene nog meer overtuigt van zijn gelijk dan de andere.

Na de Tweede Wereldoorlog groeide steeds meer het idee dat niet één van die stromingen gelijk heeft, maar dat ze tot op zekere hoogte allen van gelijke waarde zijn, dat alle kunstenaars gelijkwaardig zouden moeten zijn, behalve als het om de kwaliteit van het werk gaat. Dus het is niet zo dat er niet meer als Michelangelo gewerkt kan of zal worden, het is meer dat het een van de vele smaken in de winkel is. De ene kunstenaar hecht zeer aan technische kwaliteiten en wil een vorm van puur realisme, de ander zoekt een eigen weg. Ook het oog van de toeschouwer is net zo gedifferentieerd geworden als die van de kunstenaar.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten