donderdag 13 februari 2014

Vincent


Dit verhaal heb ik vast al eens verteld, maar nog niet eerder opgeschreven. Het was op het schoolplein, een mooie dag. In de pauze renden we over de tegels. Ik kan me absoluut niet meer herinneren wat de aanleiding was, maar op een gegeven moment rende ik achter iemand aan met een satéprikker in de hand. Het was in die tijd een ongewoon ding om op de lagere school te hebben. Ik had geloof ik zelfs nog nooit saté gegeten. Het was was vast voor de grap. Soms deed ik dat, achter iemand aanrennen voor de grap. Ik viel en kon de prikker niet meer vinden. Deze bleek door mijn wang te zijn gegaan. Ik wilde het niet op een janken zetten, was misschien zeven of acht, want voelde pijn noch bloed. De prikker kwam makkelijk los. Een lichte tinteling was alles. In een spiegeltje, van een meisje geleend, zag ik niet meer dan een minuscuul rood stipje.

Een andere keer had iemand misschien iets van me gepikt. Het was weer op het schoolplein. Ik kan niet veel ouder zijn geweest. Alles in die tijd is in herinnering samengesmolten, alsof het allemaal direct achter elkaar is gebeurd. Ik rende niet achter hem aan, maar gooide mijn pukkel, een groene legertas van stug katoen, van mijn oom gekregen. De schoolboeken konden er net in, maar de schouderriem sneed al na tien minuten diep in mijn vlees. De tas werkte als een bola en wrong zich om de rennende benen. Ik schrok ervan. Het was eigenlijk niet de bedoeling geweest dat de andere jongen zo op zijn neus ging. Gelukkig was er geen bloed. Er ging een triomfantelijk gevoel door me heen dat ik iemand zo had neergehaald. Net als in de film, leek het wel.

Zoals gezegd, voorvallen in de jeugd versmelten in herinnering als honingdruppels op brood. Ik weet niet meer wanneer het volgende gebeurde. We hadden een complete oorlog in de straat. Zo’n beetje iedereen was er aanwezig. Het was zomer. We droegen korte broekjes en veel verschillende spelletjes liepen door elkaar. Er fietsten als in een wedstrijd, anderen hinkelden, of schopten een balletje. Er waren wel ouders , maar die stonden langs de rand, lachend om ons avonturieren. Voor ons bestond er niets anders dan dit. Zij hadden een sigaretje en een biertje. Het moet zo rond vieren zijn geweest. In de kleur en drukte was er een wedstrijd van een bepaalde soort ontstaan. Degene op de fiets werden door anderen opgejaagd. Natuurlijk konden we niet van ze winnen. Die kleine fietsjes waren wendbaar als botsautootjes.

Ik kan me nog goed een gevoel van frustratie herinneren toen ik Vincent weer zag ontsnappen. Ik had hem nooit zo erg gemogen. Hij leek wat verwaand met zijn lang zwarte krullen en slaperige ogen. Toen hij weer eens glimlachend voorbij kwam, een andere kant kijkend, smeet ik de stok die een tak was naar zijn wiel. Ik weet niet meer wat er precies door mijn hoofd was gegaan. Blijkbaar dat hij zou uitglijden over de tak, of dat de tak ertussen kwam en de fiets stil zou vallen. Maar hij ging over de kop en bezeerde zich behoorlijk. Ik schaamde me en trok me schielijk terug, terwijl iedereen juist op hem af kwam. Ik kon niet zien of iemand mij het had zien doen. Van de schaamte en angst over een mogelijke ontdekking moest ik bijna huilen en ik ging naar mijn kamer.

Wat later, en hiervan weet ik zeker dat het later is, werd Vincent door een auto geschept. Ik weet niet of hij ter plekke overleed of in het ziekenhuis. Ik kan me ook niet herinneren of ik het op school hoorde of thuis. Natuurlijk moest ik ook naar de begrafenis, met de klas. Het was voor mij de eerste keer. Ik kan niet zeggen dat ik me op mijn gemak voelde. Ook al was Vincent een straatgenoot en van dezelfde school kende ik hem eigenlijk niet erg. Hij kleedde zich altijd netjes , in spencer en corduroy broek, een wit overhemd, kleine bruine laarsjes. Hij leek van heel beschaafde ouders, een goed gezin. Daar kon ik mij niet mee vergelijken. Zijn maniertjes waren dat een beetje, maniertjes van beschaving. Hij leek niet te passen in onze rauwdouwerige jongenswereld. Ik was bedrukt, want op de een of andere manier verbond ik het fietsincident met deze vroege dood. Ik had nooit mijn verontschuldigingen aangeboden of zelfs geprobeerd vriendjes te worden en nu was hij dood. Een stilte op een vreemde plek. Een ijzig afwezig zijn. Toch kon ik de drukkende ernst niet lang aan en moest een grapje maken tegen een klasgenoot. Ook hij kon het niet meer aan en we lachten niet te hard..

Geen opmerkingen:

Een reactie posten