donderdag 16 januari 2014

Michelangelo’s commentaar


Als ik niet schilder lees ik een boek in het atelier. Geeft me de kans tijd te verdoen zonder deze te verdoen. Bovendien kan ik dan zo nu en dan naar het doek kijken en me afvragen wat ik er in godsnaam mee aan moet. Elke stap roept de grootste twijfels op en het is plezierig om wat afstand te houden. Bovendien droogt olieverf langzaam.

Onlangs was ik eindelijk klaar met het 600 pagina’s dikke boek De levens, van Vasari. Dat is heel wat als je bedenkt dat ik per lezing maar zo’n twee of drie pagina’s doe. Het trage Italiaans vertaald in net Nederlands leidde soms tot overdreven gedetailleerd proza. Aangezien er geen internet was in die tijd vond hij het nodig kunstwerken in zijn geheel te beschrijven. Door die van de Sint Pieter ben ik op een gegeven moment maar heen gaan bladeren. Toen snapte ik het wel.
Vasari was zo’n beetje de eerste biograaf van kunstenaars die hun smoel en stem gaf. Leukst is hij natuurlijk tijdens het roddelen over de slechte gewoontes van bijvoorbeeld Il Sodoma, iemand die het niet zo nauw nam met de regeltjes over de herenliefde. In zijn eentje heeft Vasari enorm bijgedragen aan de roem van de zogenaamde Cinquecento, de Italiaanse Renaissance kunstenaars. Hij vertelt ook zo nu en dan iets over Dürer of Vlaamse wevers, maar die lompe noorderlingen komen er uiteindelijk bekaaid van af. In Italië en dan vooral de kunstenaars begunstigde door de Medici en de pauzen zijn natuurlijk allemaal fantastisch. Onze kennis over Michelangelo (niet de Teenage Mutant Ninja Turtle), Da Vinci (van de code), Raphaël (niet Van der Vaart), Giotto (van de satelliet),Titiaan en zoveel meer is voor een groot deel van hem afkomstig. Vasari zelf komt er natuurlijk ook in voor, want hij kende menig kunstenaar persoonlijk, maar spreekt dan meestal in de derde persoon over zichzelf, wat onbedoeld tot komische momenten leidt.
Naast ander werk, was ik tijdens de laatste pagina’s van het boek ook bezig met een zelfportret. Het is iets dat ik om de zoveel tijd doe. Eigenlijk om te kijken hoe ik er als schilder voor sta. Wat is mijn stijl, mijn hand, mijn oog, dat soort dingen. Wat vermag ik nu? Elk goed portret of zelfportret zegt ook iets over de toestand van de schilder. 

Affijn, ik was dus eigenlijk best lekker bezig, heel anders dan anders, maar lekker, en ik lees een passage in het laatste hoofdstuk waarin Vasari een conversatie beschrijft tussen hem en Michelangelo over de schilder Titiaan. Ze hadden net een bezoekjes aan diens atelier gebracht en waren zo vriendelijk geweest hem te complimenteren met zijn werk, maar terug wandelend, zo ging dat in die tijd, wandelend, zei Michelangelo dat hij genoten had van het werk, want dat ‘zijn koloriet en stijl hem bijzonder bevielen, maar dat het zonde was dat men in Venetië niet van het begin af goed leerde tekenen […] Immers (zo zei hij), indien deze man evenzeer zou worden bijgestaan door kunst en het tekenen als door de natuur – en vooral zijn vermogen het leven weer te geven -, dan zou niemand meer kunnen bereiken of beter werk leveren dan hij’, waarna Vasari het nog even kort samenvat ‘En in feite is dat waar, want iemand die weinig heeft getekend en geen studie heeft gemaakt van uitgelezen werken, antieke zowel als moderne, is niet in staat om, steunend op zijn ervaring, goed werk te leveren, noch weet hij de dingen die hij naar het leven weergeeft te verheffen door ze de gratie en volmaaktheid te verlenen die de kunst schenkt en die buiten de orde der natuur vallen, want deze bevat bepaalde dingen die níet mooi zijn.’ (Vertaling Anthonie Kee.)
Nou ja, daar zat ik dus, voor mijn toch best geslaagde portret. In mijn autonome werk ben ik een stuk vrijer en zou zulke kritiek me gaan bal doen, maar hier zat ik. De man die zo zes pauzen en enkele Medici heeft versleten als wel de Sint Pieter heeft ontworpen en gebouwd, de man die waarschijnlijk van alle kunstenaars ooit de meeste wereldse macht had, zou waarschijnlijk bij mij weglopen en mompelen: hij heeft best een aardig coloriet. Momentje om nederig te zijn en te accepteren dat er nou eenmaal ook baas boven baas is onder kunstenaars? Tja, in ieder geval een moment van bezinning en rust. Ik had toch even over de eeuwen heen contact met een ander mens. En het is best een aardig compliment, alles in overweging genomen.
Ondertussen staar ik naar mijn doek, over de rand van de pagina’s van een ander boek en kom niet verder. Bij mijn manier van schilderen gaat het erg om een bepaalde innerlijke spanning, een bepaald moment van actie dat alles eruit komt en precies raak gaat. Die energie moet opbouwen, ik moet net iets te lang wachten en dan die laatste streken zetten. Het is waarschijnlijk nog maar één zitting. Ik wacht.




Michelangelo Buonarroti (1475-1564), De kwelling van Sint Anthonius. 1487-88, tempera en olieverf op paneel.
Het oudst bekende paneelschildering van zijn hand, toen hij 12 of 13 was. 
Bewerkt voor de gelegenheid. Op internet is het origineel makkelijk te vinden

1 opmerking:

  1. Ook dat is iets wat geleerd moet worden....geduld hebben. Graag gelezen !

    BeantwoordenVerwijderen