donderdag 9 januari 2014

Geven


Het gebeurt nogal eens in de stad, dat je wordt aangesproken om een centje bij te dragen. Iemand die bij de ingang van de supermarkt staat te wachten, boekje te koop, de MUG, geloof ik. Meestal is hun kleding wat dof, je zou het niet direct van vies kunnen beschuldigen, maar het mist de glans van met plezier dragen. Het is een kloffie om in te overleven. Ik ben geneigd om de vraag te negeren. Soms is het haast, soms is het ergernis over hoe de vraag wordt gesteld, soms is het omdat ik toch geen los geld bij me heb, soms heb ik gewoon geen zin. Het kan verkeren.

Maar laatst had ik het weer, zo’n moment van inzicht, en misschien was het geen moment, maar is het een gevoel dat zich ontwikkelt. Zo nu en dan gaf ik wel degelijk. Ik nam niet dat blaadje, want papier genoeg, u kent het. Gewoon de prijs van dat blaadje en een vriendelijk gedag. Snel en efficiënt, zoals dat heet. Maar nu was het anders. Ik liep de Appie uit en een boom van een vent vroeg mij om een euro. Wat hij met deze euro ging doen meldde hij niet. Ik voelde me lichtelijk geïntimideerd door zijn grootte. Bovendien zat het in me, nee, nee, ik heb geen geld, natuurlijk heb ik geen geld, laat me en ik liep door. Maar bij de fiets overviel iets me, ik weet niet wat. Mijn gemak in afstand nemen beviel me niet. Ik realiseerde me dat hij daar nooit zou gaan staan als het water niet aan de lippen stond. Welk water dan ook. Of het om drugs, de huur, kinderen, een vrouw, wat dan ook gaat. Het is vernederend om zo iemand voor geld aan te schieten, het is pijnlijk om te zien hoe iedereen met boodschappen en al, in goede kleren, de winkel uitvlucht voor jouw vragende ogen. Ik snapte dat plotseling weer.

In de portemonnee zat ook een 2 euro stuk. Ik liep met de fiets in de hand naar hem toe en zei quasi nonchalant dat ik inderdaad geen 1 euro stukken had. Ook dat voelde lullig, maar in ieder geval was hij blij met het geld.

Gisteren liep ik het station in om een cola te kopen en er zat een klein mannetje met prachtige grijze baard, in spijkerbroek. Zijn benen waren stram half over elkaar. Het was best fris en er stond een bekertje met wat munten. Hij keek niemand aan. Hij leek de voetstappen te tellen, of het vallen van neutronen. Misschien schoven jaren van zwerven of bedelen door hem heen, maar waarschijnlijker de vraag hoe het zover had kunnen komen dat hij daar zat. Toen ik terug naar de tramhalte liep gaf ik hem wat muntjes. Vrij snel daarna stond hij op. Misschien om een beker koffie te halen.

Het is een gevoel dat zich langzaam meester van me maakt. Ik ben nogal op mijzelf en realiseer me soms de nood van anderen niet. Ik kan de wereld niet redden, maar een zwerver of bedelaar iets toestoppen kan ik wel. Zo nu en dan.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten